September 2008 schreef Sjef van Hellenberg Hubar, kunstkenner


                                    

Een bezoek dat onlangs een musicus bracht aan de schilder in zijn atelier, leidde tot de aanschaf van een groot doek in vlammende kleuren. Het toonde een gekromde ruimte, omgeven door een immense arcade met hel verlichte galerijen. Centraal in het spektakel, stond op de oranje gele, beschaduwde, mogelijk natte vloer van de ruimte een zwaar, zwart meubel op poten, dat een zekere gelijkenis met een vleugel vertoonde, maar het toch niet was. Met dit werk voelde de koper zich de koning te rijk. Hij had altijd aandachtig om zich heen gekeken zonder ooit een dergelijke basiliek te hebben betreden of zo’n weergave te hebben aanschouwd, terwijl hij wist dat die gloeiende ruimte ergens bestond, en nu zou dit prachtige schilderij voortaan zijn kamer gaan verruimen en verlichten. Het atelier van Rens van Bergen toont verbazingwekkende universa van licht en ruimte, meestal beschouwd vanuit het donker en werkend naar het licht.


In Utrecht zou dit alles traditioneel een pre' moeten zijn, maar volgens dezelfde traditie worden weerbarstige en koppige naturen er systematisch genegeerd en overgeslagen. Daarom kennen weinigen van Bergen en hangt bijvoorbeeld zijn monumentale, bijna zwarte doek met “De oude haas” niet boven de poppenkast van het Centraal museum, naast die vrolijke jachthond van Jan Weenix. Zijn robuust aandoende landschappen, stads en havengezichten en interieurs tonen ruimtes die men zich slechts mogelijk kan herinneren in het voorbijgaan of bij het sluiten van de ogen, uit een droom of uit een eenmaal door muziek of poezie opgeroepen visioen. De stoffage bestaat uit haast onherkenbare gestaltes, gezien van opzij of van achteren, of slechts aangeduid als schaduw of silhouet, voorts uit niet eenduidig te omschrijven vormen, die vanuit een helder licht weer oplossen in het halfduister. Alles spreekt tot de verbeelding maar bestaat slechts, volgens de regelen der kunst, uit suggestie. Associaties met grootse onderwerpen als “Amsterdam bij nacht”, “Venetie in de mist”, “Een kathedraal” en de kerkers van Piranesi zijn voor de rekening van de beschouwer en zijn aan de schilder weinig besteed. De achtergronden zijn breed en in dunne lagen opgebracht en afgewerkt in vinnige penseelstreken. Op enkele plekken na is het weefsel van de doeken zichtbaar gebleven. Bij zijn kleine panelen lijkt de voorstelling zelfs te beginnen met de tekening van de drager. Op een van deze juweeltjes kan men een imposant en onafzienbaar vergezicht herkennen, zonder horizon en opgebouwd uit transparante verflagen met zeer subtiele en geheimzinnige kleurschakeringen, alles bijeen gehouden door de minieme streepjes en vlekjes in het hout.


Maar is het eigenlijk wel een landschap?

Ook hier staat er niet wat er staat, en in zekere mate geldt hetzelfde voor een kleine reeks van vergezichten in vogelvlucht over Mallorca en voor enkele intieme naakten in een interieur, ingetogen als stillevens. Van Bergen’s werk is allerminst simpel en als decoratief te ervaren, volgt nimmer een trend en herhaalt zich evenmin. Ieder schilderij herinnert aan een unieke impuls en ontstond met een liefde, een toewijding en volharding die aan geen enkel ander werk in gelijke mate waren besteed.